CULTUURHISTORISCHE SCHETS VAN HET ONZE-LIEVE-VROUWECOLLEGE IN DE PERIODE 1840 –  2015

Wanneer paus Pius VII in 1814 de Sociëteit van Jezus herstelde over heel de wereld, keerden de jezuïeten terug naar Vlaanderen. Ze kunnen echter pas in 1830 weer vrij aan de slag en dit dankzij de verkondiging van de Grondwet die de onderwijsvrijheid weer verzekerde. De aanvaarding van hun hernieuwde aanwezigheid in Antwerpen verliep niet zonder conflicten en aanvankelijk hadden de paters moeite om zich van een aanhang te verzekeren.

In Antwerpen kochten ze eerst een klein stuk terg van het oude Professenhuis, gelegen tussen de kerk en de huidige erfgoedbibliotheek. Het was pas in 1840 wanneer de Sociëteit twee panden aankocht in de Keizersstraat – het belangrijke Hotel de Fraula(1) en het naastliggende Hotel Havenith – dat de paters hun onderwijsopdracht opnieuw gingen vervullen.(2) Het was immers in deze gebouwen dat het Onze-Lieve-Vrouwecollege een nieuw bestaan kreeg. Het nieuwe college bevond zich op een straatlengte van het Hof van Liere waar tot 1773 het college gevestigd was. Op de officiële opening van 7 oktober 1840 start men met twee klassen en 88 leerlingen. Het college wordt in 1842 uitgebreid met een kleine kerk in de Gratiekapelstraat (afgebroken in het midden van de jaren vijftig -20e eeuw).

In 1844 was de humaniora reeds een volledige opleiding en was het leerlingenaantal verdubbeld. Men moest snel vaststellen dat de twee huizen in de Keizersstraat eigenlijk niet geschikt waren als schoolgebouw en door het steeds toenemend aantal leerlingen zat men letterlijk en figuurlijk in ademnood.

Anonieme foto en afbeelding (1890): Huis de Fraula (rechts) en huis Havenith (links), vestiging van het Onze-Lieve-Vrouwecollege van 1840 tot 1875.

De constante groei van het jezuïetencollege in Antwerpen doorheen de voorbije en huidige eeuw is meteen ook het verhaal van een voortdurende nood aan extra ruimte, ruimte die in de binnenstad schaars is. Er moest dus steeds uitgekeken worden naar opportuniteiten en creatieve mogelijkheden op de bestaande sites.

Zo werd er, midden 19de eeuw, uitgekeken naar een andere, meer geschikte ruimte voor het college. Door de afbraakwerken van de Spaanse vestingen waren er aan de rand van het oude stadscentrum grote lanen ontstaan. Aan de Kunstlei was er een groot terrein van ongeveer een hectare te koop. Met de steun van privékapitaal slaagden de Paters erin deze koop te sluiten. Er werd onmiddellijk begonnen aan de nieuwbouw van het college.

Op de tekening zien we hoe het college gebouwd werd op de fundamenten van een brilschans (lunette). Deze bevinden zich nog in de ondergrond, bijvoorbeeld onder de speelplaats van de  humaniora.

“Kort na de opening van de gronden op de geslechte Spaanse vesten, lieten de jezuïeten een klooster en een school bouwen naar een ontwerp van Héliodore Leclef van 1871. Net zoals bij de herenwoningen die deze bouwmeester op de Frankrijklei realiseerde, koos hij voor het college een strenge neoclassicistische stijl. Het complex werd gebouwd op een rechthoekig bouwblok tussen de Frankrijk- en de Rubenslei, op de hoek van de Louiza-Marialei. Een paar jaar later werd besloten een kerk naast het college te bouwen. In 1878 werd de bouwaanvraag met een neogotisch ontwerp door J. Bilmeyer en J. Van Riel ingediend. In 1909 vervolledigden twee torenspitsen het kerkgebouw.”

 

“Parallel aan de Louiza-Marialei is een lange vleugel gebouwd over de volledige breedte van het bouwblok, met haaks hierop twee kortere vleugels aan de Frankrijk- en de Rubenslei. De vleugels aan de zijde van de Frankrijklei bevatten de ruimtes van het klooster, aan de zijde van de Rubenslei was de school te situeren. De grote open ruimte binnen deze U-vormige opstelling werd aan de Louiza-Marialei door een tuinmuur afgesloten. De ene helft was tuin voor het klooster, de andere helft speelplaats, van elkaar gescheiden door een gebouw met kippenhok en toiletten. Een tweede gebouw van de school was gelegen ten noorden van de lange vleugel, met aansluitend een tweede speelplaats. In dit gebouw was een badzaal, een overdekte zaal en twee studiezalen voorzien.”

 

“De oudste vleugels, daterend van de jaren 1870, zijn statige gebouwen van drie bouwlagen onder pannen mansardedaken. De lijstgevels zijn bepleisterd en witgeschilderd, met een hardstenen plint, imitatievoegen op de verhoogde begane grond, doorlopende lijsten en lekdrempels, klassieke gevelbeëindiging met gelede architraaf, eenvoudig fries en houten kroonlijst op klossen. De hoofdingang bevindt zich op de Frankrijklei en heeft net als de korte dwarsgevels op de Louiza-Marialei lichte, geblokte risalieten onder driehoekig fronton. Er zijn zowel rechthoekige, rondbogige als segmentbogige muuropeningen, in geriemde omlijstingen. De voorgevel aan de Frankrijklei telt vijftien traveeën; centraal in het fronton staat het volgend opschrift: “Litteris et Bonis Artibus”. Het Mariabeeld op de hoek van de Frankrijklei en de Louiza-Marialei wordt al op de geveltekening van 1871 voorzien, en is dus wellicht een ontwerp van Héliodore Leclef. Het zou uitgevoerd zijn door de Leuvense beeldhouwer Vermijlen en ingehuldigd bij de opening van het college in 1875. Onze-Lieve-Vrouw met Kind op linkerarm, ronde sokkel, segmentboognis met gebogen, afsluitende waterlijsten.

 De lijstgevels aan de twee speelplaatsen zijn bepleisterd en beschilderd met klassieke gevelbeëindiging, rondboogvensters en individuele lekdrempels. Tegen de noordgevel van de lange vleugel is een rondbooggalerij aanwezig op hardstenen Dorische zuilen zonder sokkel. “ (3)

Op 5 oktober 1875 waren de gebouwen klaar. Vanaf dat ogenblik kende het college een constante groei. Op het gouden jubileum van het college (1925) telde het college 700 leerlingen en reeds 6000 oud-leerlingen. Daarmee was het college hét toonaangevend katholiek instituut in Antwerpen, vooral bij de toenmalig Fransprekende gegoede burgerij. In 1878 werd de bouwaanvraag met een neogotische ontwerp voor de kerk door J. Bilmeyer en J. Van Riel ingediend. Men bouwde vier jaar aan de collegekerk die in 1881 ingewijd werd en toegewijd aan Onze-Lieve-Vrouw van Gratie. Geldtekort maakte dat de kerk het lange tijd moet doen zonder haar twee torens. De torenspitsen zouden pas afgewerkt worden in 1910.

Aan de Rubenslei werden eind 19e eeuw twee huizen aangekocht. In het huis, naastliggend aan het college, kreeg het Ruusbroec genootschap onderdak en daarnaast rees in 1899 een stijlvolle congregatiekapel uit de grond. Leerlingen werden in die tijd aangemoedigd om deel uit te maken van de Mariacongregatie.

“Gedurende de volledige 20ste eeuw werd er verbouwd en uitgebreid aan het college, dat voortdurend meer leerlingen had. In 1904 zorgde J. Bilmeyer door de verhoging van de sacristie tussen school en kerk, voor extra klaslokalen. In 1929 en 1930 zorgden de bouwmeesters Prof. J. Huygh en Flor Van Reeth voor een aantal interne verbouwingen, zonder evenwel de gevels te wijzigen. In 1949 ging men voor het eerst kiezen voor de bouw van een nieuwe vleugel: Paul Tombeur en J. Clesse tekenden een vleugel met garage, sanitair en vergaderruimtes die de grote speelplaats in twee verdeelde, en haaks op de Louiza-Marialei was ingeplant.“ (3)

De twee wereldoorlogen eisten een zware tol, enerzijds door de slachtoffers bij de (oud-)leerlingen en anderzijds, vooral tijdens WOII, door de bezetting van de gebouwen. Het college moest uitwijken naar de Isabellalei (hotel Beaujean) en naar het vroegere Albert I-college in de Breughelstraat. De slachtoffers worden heden herdacht op de gedenkplaten in de gang van de Frankrijklei, recht tegenover de hoofdingang van het college.

Maar de wereld herstelde snel van de diepe wonden veroorzaakt door de wereldoorlogen. Zo ook het College. Bij het eeuwfeest in 1950 telde het college bijna duizend leerlingen en de gebouwen die 75 jaar geleden zo ruim leken, bleken dan al te klein te zijn. Er was voor de eerste keer nood aan bijkomende klassen en men besloot in 1955 om de feestzaal, gelegen in de vleugel aan de Rubenslei, om te bouwen tot klassen. Het is voor vele oud-leerlingen van die periode een belangrijke mijlpaal, want eigenlijk was het de eerste belangrijke verbouwing van de oorspronkelijke gebouwen. Voor de verbouwing werd architect Rie Haan aangesproken, oud-leerling van het college en vader van een toenmalige leerling. Bovendien was hij bijna een buur want zijn woning en bureau waren gelegen op de Quinten Matsijslei.

Na de Tweede Wereldoorlog werd Rie Haan de vaste architect van het college. Hij realiseerde naast de kerk de opvallende theaterzaal Elckerlyc, een pand dat anno 2013 niet meer bij het college hoort.(4) Nadat hij in de vleugel aan de Rubenslei enkele verbouwingen had uitgevoerd, ontwierp Rie Haan in 1966 een nieuwe schoolvleugel aan de Louiza-Marialei, waardoor de tuinmuur van in de jaren 1870 verdwijnt en het haakse gebouw dat door Tombeur en Clesse werd getekend, afgebroken moest worden. Ook de 19de-eeuwse vleugel met badgebouw, ten zuiden achter zaal Elckerlyc gelegen, werd afgebroken voor nieuwbouw.” (3)

Er werden twee huizen aangekocht aan de Frankrijklei (nr. 85-87) en in 1958 bouwde men er de Elckerlyczaal ter vervanging van de oude collegefeestzaal aan de Rubenslei. Ook hiervoor werd Rie Haan aangesproken. Doorheen zijn architecturaal oeuvre zal deze meerdere grote bioscoop- en theaterzalen ontwerpen. De Elckerlyczaal is een totaal ander concept dan de vroegere collegefeestzaal. Op het gelijkvloers is er een zaal voor toneel en film en op de 3de en 4de verdieping is er de zetel en de burelen van het toenmalige PMS-centrum. De zaal werd uitgebaat door het Elckerlycgenootschap dat in die periode Nederlands toneel promootte in Antwerpen. Ook voor voordrachten van bekende sprekers werd de zaal een begrip in de stad. De Katholieke Filmliga gebruikte de zaal voor de organisatie van filmforums voor de Antwerpse (katholieke) scholen. Jeugd en Muziek gebruikte de zaal voor repetities met hun jeugdorkest. Omwille van de uitstekende akoestiek van de zaal gebruikte ook de BRT-radio de zaal voor opnames van optredens. Het uitbaten van de zaal werd moeilijker en vanaf 1989 huurde het Filharmonisch orkest van Vlaanderen Elckerlyc tot ze hun intrek namen in hun nieuwe zaal op het Eilandje. Voor zijn eerste optreden in Antwerpen kwam Luciano Pavarotti repeteren in zaal  Elckerlyc.

In het kader van het masterplan “renovatie van de schoolgebouwen” en door het feit dat wegens het vertrek van de communiteit in 1998 de zaal Elckerlyc eigendom én verantwoordelijkheid was geworden van het collegebestuur, moesten er grote aanpassingswerken gebeuren aan zaal Elckerlyc (brandveiligheid, modernisering van de toneeltrekken, vernieuwing van elektriciteit en sanitair, nieuwe toneelstoelen en vloerbekleding, schilderwerken). Er werd een partner gezocht en gevonden.

Studio 100 (bekend van Samson en Gert, Kabouter Plop, Piet Piraat, K3…) was bereid om de zaal op te waarderen en tekende een huurcontract voor negen jaar. In ruil voor de investeringen (renovatie) werd de zaal twee jaar huurvrij ter beschikking gesteld. Na het vertrek van Studio 100 werd de huidige Komedie Compagnie huurder en gebruiker van de zaal. Contractueel werd overeengekomen dat de school de zaal ook mag benutten voor haar grote  evenementen.

Midden van de jaren zestig van de 20ste eeuw stelde de nood aan bijkomende klaslokalen zich opnieuw in het college. De tuin van de paters en de muur aan de Louiza- Marialei verdwenen en Rie Haan tekende plannen voor een totaal nieuw college. Zoveel geld was er echter niet en de architect moest zich beperken tot de bouw van een nieuw schoolgebouw in modernistische stijl van twee verdiepingen hoog, de aanleg van een speelplaats voor de lagere school en een ondergrondse parking voor de Paters en de leken-leerkrachten. Het gebouw staat voor een typisch functionele stijl met veel glas en aluminium (functionalisme van de jaren zestig). Het opzet was een tijdelijk gebouw op te richten dat een antwoord bood aan de toenmalige nood aan lokalen. Alles in afwachting van een nieuw college op dezelfde bouwplaats.

“Het is een strak vormgeven gebouw met een betonstructuur van twee bouwlagen en twaalf traveeën, onder plat dak. Beide langsgevels worden getypeerd door grote vensters die de klassen verlichten. In de kelderverdieping werden garages en fietsenbergingen voorzien, op de gelijkvloerse en eerste verdieping telkens een enfilade van zes klassen met flankerende gang.” (3)

Maar “l’histoire se répète”, zegt men in het Frans.

Tien jaar na de investering aan de Louiza-Marialei, planden de Paters een nieuwe uitbreiding van de gebouwen. Ditmaal was de ingreep fataler voor een deel van de oude schoolgebouwen. Het gebouw achter de kerk en zaal Elckerlyc met de buitengaanderijen en het zwembad, werd opgeofferd . b0b van Reeth werd als jonge, veelbelovende Vlaamse architect aangezocht om een schoolgebouw te ontwerpen dat hedendaags en functioneel zou zijn, maar dat tegelijk perfect zou aansluiten met de bestaande architectuur van de oude schoolgebouwen. In 1974 begint de afbraak van het oude schoolgebouw, van de Congregatiekapel (1899) en het huis van het Ruusbroec- genootschap aan de Rubenslei. In de grote gapende wonde verrees zeer snel een gebouw, hoofdzakelijk opgetrokken in massief beton, maar met duidelijke stijlkenmerken en veel originele concepten. Het gebouw was klaar in 1978 en werd onder grote publieke belangstelling ingewijd.


 

“Van Reeth ontwierp een betonconstructie van vier bouwlagen met rechthoekige en rondboogvormige muuropeningen. Deze opvallende vensterregisters, verwijzen net als de galerij aan zuidzijde, naar het vroegere gebouw en de ertegenover liggende galerij van de oude schoolvleugel. De binneninrichting bevat klassen die aparte eenheden vormen, afgesloten door wanden van hout en glas tussen de hoekige betonnen steunpunten. In gangen en polyvalente zalen worden verloren hoeken vermeden, deze komen wel terug in trapzalen en door verdraaiingen en verbindingen van bepaalde constructieve delen. ” (3)

Op het buitenverblijf van de Paters, domein Mariënborgh op de grens van Wilrijk en Edegem, werd ondertussen ook de eerste steen gelegd van het Sportcentrum Mariënborgh. Naast de voetbalterreinen verscheen een grote sporthal met op de verdieping een cafetaria en feestzaal en klaslokalen. Ook dit kaderde weer in een uitbreiding van het college. De beschikbare gymzalen van de humaniora en de lagere school volstonden niet meer voor het toenemend aantal leerlingen én het toenemend aantal uren lichamelijke opvoeding. Mariënborgh werd ingeschakeld voor het goede verloop van die lessen LO en is tegenwoordig een tweede vestigingsplaats van het college. In de voormiddag gebruikt de humaniora de accomodaties, de lagere school in de namiddag. De gebouwen worden in erfpacht genomen van de vzw La Strada, de patrimoniumvzw van het college. Cafetaria en feestzaal komen in handen van een zelfstandige uitbater. Door de bouw van de sporthal kregen de Lentefeesten ook een beter onderkomen. Het feestcomité kon de kelders van de villa van de Paters verlaten en voortaan restaurant houden in de cafetaria/feestzaal. De Lentefeesten (als collegefeesten) verankerden voorgoed in Mariënborgh.

De investeringen waren van die orde dat er de volgende twintig jaar enkel kon gedacht worden aan de afbetaling van de aangegane leningen. De band met de Lentefeesten en het Bouwfonds van het college werd strak aangehaald. Voor de “nieuwbouw” van b0b van Reeth werd er een lening aangegaan met staatswaarborg.

In het midden van de jaren negentig kende het college een terugloop van het aantal leerlingen. Het collegebestuur, inmiddels bestaande uit een meerderheid aan leken, zag de financiële toestand somber in. De onderhoudskosten voor de oude collegegebouwen waarin lange tijd niet of zeer beperkt geïnvesteerd was, liepen torenhoog op. Er werd contact opgenomen met een studiebureau (destijds Gedas, nu Arcadis) om een studie te maken van de noodzakelijke werken met de bedoeling om voor de komende 20 jaar een onderhoudsvrijer college te bekomen.

Tussen 1995 en 2000 beleefde het college echter twee markante veranderingen. In 1995 werd er besloten, anticiperend op een overheidsmaatregel, het college gemengd te maken. Eerlijkheid gebiedt ons te zeggen dat dit gepaard ging met een heropleving van de leerlingenaantallen. Vanaf 1995 tot heden zou het college groeien van 510 leerlingen toen tot 816 leerlingen vandaag.

In 1998 besloot P. Provinciaal M. de la Marche sj., de paterscommuniteit terug te trekken uit het college om ze elders onder te brengen. De patersvertrekken werden ontruimd en er kwam heel wat ruimte vrij voor de school vooral in het gebouw aan de Frankrijklei. Alle onroerende bezittingen, uitgezonderd de kerk, werden aan het college overgemaakt via de patrimoniumvzw La Strada. Gezien de staat van onderhoud van de gebouwen besloot P. Provinciaal ook tot een financiële injectie door de veilingverkoop enerzijds van een aantal kunstschatten en anderzijds door de verkoop van een deel van de waardevolle bibliotheek van de sj-communiteit.

Gedas werd opnieuw aangesproken om de studie van 1995 te actualiseren en het collegebestuur stelde een masterplan op “renovatie van de (oude) schoolgebouwen, inclusief de creatie van extra klaslokalen in het voormalige kloostergebouw. Samen met het architectenbureau Archiles werd de renovatie ingezet in 2004. De werken verliepen in diverse percelen, waarvan sommigen in hoogdringendheid reeds aangevat worden in 2002 (vernieuwing stookkelder, zwambestrijding). Nieuwe daken, gevelreiniging en –restauratie, sanitairen, brandveiligheid, elektriciteit, nieuwe lift, schilderwerken in alle lokalen en gangen, renovatie van het buitenschrijnwerk, nieuwe vloeren en luifels. De renovatie was grondig.

Het gebouw van Rie Haan aan de Louiza-Marialei werd niet opgenomen in de renovatie. Reeds in de studie van 1995 had het studiebureau aangegeven dat de renovatie van dat gebouw zeer grote problemen stelde op bouwkundig vlak en dus een foute investering zou zijn. Daarom besliste het collegebestuur om in 2006 een aanvraag te doen bij de subsidiërende overheid, AGIOn, om een nieuwbouw te mogen zetten. Gezien de lange looptijd van bouwdossiers bij AGIOn kon er niet op korte of middellange termijn een oplossing komen voor een gebouw dat totaal uitgeleefd is en waar de klachten van ouders, leerkrachten en leerlingen legio waren. Bij het beëindigen van de werken in het kloostergebouw in 2006 werd er een totale herschikking van de lokalen doorgevoerd waarbij het gebouw aan de Louiza-Marialei de functie kreeg van een “back-up” gebouw: het vulde noden in zoals de steeds groeiende vraag naar fietsenberging en de nood aan extra sanitair door de aangroei van het leerlingenaantal bij de meisjes.

In de voormalige gemeenschappelijke vertrekken van de communiteit (salon, eetkamer, keuken…) werd een appartement ingericht voor de huisbewaarder, een nieuwe noodzaak sinds het vertrek van de paters.

De steeds groeiende leerlingenaantallen, het groeiende leerkrachtenteam, de capaciteitsproblemen in het Antwerpse onderwijs doet de behoefte aan extra ruimte steeds scherper gevoelen. Vergaderruimten en ontmoetings-/gespreksruimten werden opgegeven waardoor de schoolleiding steeds geconfronteerd wordt met de zorg om iedere activiteit een plaats te kunnen geven.

In 2013 deed zich een geweldige opportuniteit voor: de verzekeringsmaatschappij Nateus was door fusie geworden tot Baloise en had zijn intrek genomen in nieuwe kantoorgebouwen aan de Singel. De verhuis zorgde ervoor dat een aantal panden, naburig aan de collegebouwen, te koop werden aangeboden. Het college kocht in 2014, met de steun van AGIOn, de gebouwen aan de Frankrijklei 75-79, inclusief een grote open ruimte (600m²) die dienst kon doen als speelplaats. In september 2014 startten daar vier kleuterklassen als antwoord op de nijpende nood aan kleuter- en lagere scholen in Antwerpen. Weldra zullen in deze gebouwen, na geschiktmakingswerken, acht kleuterklassen ondergebracht worden alsook een aantal multifunctionele lokalen voor de lagere school en de   humaniora.

In 2015 wordt het collegebestuur aangesproken door het bisdom. Kan het college de school ‘Dames’ van het Christelijk Onderwijs (IDCO/De Dames) niet herbergen in haar gebouwencomplex. Zelfs met de recente aankoop van de gebouwen was dat niet mogelijk. Er moest dus gezocht worden naar een geschikt onderkomen voor deze secundaire school van een driehonderd leerlingen en dit op korte termijn. ‘De Dames’ dienen immers uiterlijk op 1 september 2018 hun huidige locatie te verlaten want de zustercongregatie heeft besloten gronden en gebouwen in hun eigendom te  verkopen.

Er werd door het collegebestuur naarstig gezocht naar geschikte gebouwen in de buurt van het college. Maar bijna alles wat er te koop wordt aangeboden, voldoet niet om er een school in onder te brengen. Daarom nam het collegebestuur de locatie Louiza-Marialei opnieuw ter hand. Als men het huidig gebouw zou kunnen vervangen door een nieuwbouw die een vijftiental klassen plus facilitaire ruimten bevat, dan kan het schoolbestuur haar engagement ten opzichte van ‘De Dames’ waarmaken en bovendien niet allen de redding van die school waarmaken maar ook nog een steentje bijdragen tot het capaciteitsprobleem.

  • “Een weinig verder dan de Bank, op den hoek der Kunst- en der Maria-Louisalei (sic), in het schoonste deel der nieuwe stad, hebben de PP. Jezuieten sedert 1876 hun groot collegie van O.-L.-V. geopend. Zij ook hebben er niet aan gedacht die nieuwe gebouwen ietwat eigenaardigs te geven, dat er een der sieraden onzer lanen zou van maken. Zij moeten het thans wel betreuren, nu hunne schoone gothieke kerk oprecht afsteekt tegen den voorgevel van hun college.” BEETEME G. , Antwerpen. Moederstad van handel en kunst, Antwerpen, 1894, 3e deel, p. 23.
  •  “Buiten de Cellebroeders (…) zag men hier geen andere mans-congregatiën binnenkomen dan de Reeds ettelyke jaren waren zy in een groot huis in de Keizerstraet gevestigd, als zy aldaer in 1840 een kollegie van middelbaer onderwys openden. Korts nadien, in de Gratiekapelstraet drie of vier huizen hebbende aangekocht, deden zy deze afbreken, en bouwden op de plaets een kerkje. In 1852 verkregen zy uit eigene penningen den tuin van hun gewezen Professiehuis, met eenige aenpalende gebouwen, by de tachtig jaren na er uit verdreven te zyn geweest. Zy hebben daer hetzelfde jaer eene school van koophandel en nyverheid geopend.” MERTENS F.h. en TORFS K.L., Geschiedenis van Antwerpen sedert de stichting der stad tot onze tyden, Antwerpen, 1846/1976, 7e deel, p. 493.
  •  De cursieve tekst wordt geciteerd uit de beschrijving van de Inventaris van onroerend Agentschap Onroerend Erfgoed 2015: Onze-Lieve-Vrouwecollege of Jezuïetencollege. In Inventaris Onroerend Erfgoed. Opgehaald van https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/6778 .
  •  “niet meer tot het college behoort”… Hier is Erfgoed Vlaanderen niet goed geïnformeerd. Zaal Elckerlyc is nog steeds eigendom van het college (patrimoniumvzw La Strada). Het is waar dat de zaal uitverhuurd is, maar door een gebruikersovereenkomst in het contract kan de school er nog talrijke van haar festiviteiten en evenementen in